"Rijden in Monaco met een Formule 1 wagen is hetzelfde als vliegen met een helikopter door je woonkamer". Deze legendarische uitspraak van Nelson Piquet geldt al jarenlang als dé typering voor de Grand Prix in het Prinsendom. Maar is dat anno 2017 nog wel zo?
Pole position in Monte Carlo is nog altijd bijzonder waardevol in Monaco. Het is de beloning voor het beste zijn op een te smal circuit waar te snelle auto's overheen rijden. Maar het is niet meer te vergelijken met vroeger. Sommigen spreken inmiddels van een autosnelweg.
Het was altijd de Nordschleife op de Nürburgring. Na 1977 werd het Monaco: De ultieme uitdaging voor een Formule 1-coureur. In het turbo-tijdperk moet het inderdaad soms als een helikopter door een huiskamer gevoeld hebben met auto's die meer dan 1000pk konden produceren. Nico Hülkenberg kan zich er iets bij voorstellen: 'Met die auto's door Monaco, dat is bijna gemeen. Het circuit is zo onprecies en die turbocharger is zo groot en zwaar. Je reed hier toen bovendien bijna de halve ronde met maar één hand aan het stuur. Die auto's zijn een stuk langzamer dan de onze, maar een uitdaging. Gemakkelijk op een andere manier.'
In 1986, op het hoogtepunt van het Turbo-tijdperk reed Alain Prost met zijn McLaren-Porsche in 1:22.627 naar de pole op het toentertijd 3.328 kilometer lange circuit. Dit vertaalt zich in een gemiddelde snelheid van 145 kilometer per jaar. 31 jaar later rijdt Kimi Raikkonen in 1:12.178 naar de pole. Een gemiddelde van 166 kilometer per uur. Dat is niet alleen een nieuw snelheidsrecord voor Monaco, maar ook een vooruitgang van tien seconden op een vrijwel identieke baan. Dat moet een rondje op het scherpst van de snede zijn geweest voor Raikkonen en zijn negentien collegae. Nee, niets is minder waar.
Natuurlijk is een snelle ronde rijden met twintig auto's op de baan in Monaco nog altijd een bewijs van rijderskwaliteit van de bovenste plank. Wanneer je naast de baan de snelheid ervaart waarmee de coureurs door Tabac rijden of de klim naar het Casino maken met 270 km/u dan keer je met open mond terug naar huis. Zoals Ross Brawn het omschreef: 'Ik ben nog nooit zo dichtbij de baan geweest. De snelheid is ongelooflijk. Als we deze ervaring overal mee naar toe konden nemen, dan hadden we geen enkel probleem om de Formule 1 te vermarkten.'
En toch zijn er mensen die spreken van de 'snelweg van Monte Carlo'. Het nieuwe asfalt biedt nog meer grip dan het oude en er zijn opnieuw een paar karakteristieke hobbels verdwenen. 'Die vervelende hobbel in de haven-chicane is eindelijk verdwenen.', juichte Felipe Massa. Dit is precies het punt waar Martin Brundle kritiek op uit. 'Monte Carlo is niet echt een stratencircuit meer, maar meer een echt racecircuit aan het worden. De auto's lijken op een rails te rijden. Je ziet ze niet meer heen en weer stuiteren omdat het circuit zo glad is als een parketvloer of de auto's hebben zo veel downforce dat ze alles absorberen. De snelste chicane is de zwembad-chicane, maar dat is bijna een rechte lijn geworden. Nog steeds spectaculair om naar te kijken, maar niet meer interessant voor een coureur.' Christian Danner voegt toe: 'Het was vroeger veel meer een chicane-circuit. Links en rechts stond de vangrail. Ruimte voor fouten was er niet.'
Vanuit een televisie-standpunt is de tweede zwembad-chicane de spectaculairste, al is die met 100 km/u minder snel dan de eerste, omdat de coureurs op millimeters van de camera's (en de vangrail) voorbij rijden. Soms raken ze lichtjes de vangrail. Soms (Ocon, Vandoorne) iets minder lichtjes, maar over het algemeen zijn de schokbrekers voorbereid op een rondje Monaco. 'Vroeger was dat veel minder het geval.', zegt Brundle. 'Coureurs kunnen zich tegenwoordig lichte touchés veroorloven. Bij ons was dat einde wedstrijd geweest.'
Het betekent niet dat Monaco al zijn charmes en uniekheid kwijt is, maar de combinatie van meer perfecte auto's, beter getrainde coureurs en een gemakkelijker en vlakker circuit betekent wel dat de magie van Monaco langzaam maar zeker aan het verdwijnen is.